
Digitale autonomie is de afgelopen tijd uitgegroeid tot een serieus onderwerp. Over minder afhankelijkheid van Amerikaanse cloud- en AI-platforms. Over Europese alternatieven. Over risico’s, controle en geopolitieke kwetsbaarheid.
Het gesprek wordt vaak technisch gevoerd, maar in gesprekken met founders en technologische beslissers blijkt al snel dat techniek niet de kern van het probleem is. De echte frictie zit in vertrouwen, risico en perceptie.
De praktijk waar bijna niemand hardop over praat
Veel Europese softwarebedrijven draaien hun infrastructuur en AI-modellen in Europa, maar op platforms van Amerikaanse partijen. Niet uit ideologie, maar uit gewoonte. Het voelt veilig, bewezen en verdedigbaar richting klanten en investeerders.
Tegelijk zijn deze keuzes vaak aanzienlijk duurder dan Europese alternatieven. Toch worden ze gezien als “de standaard”. Europese oplossingen als “alternatief”. En zolang dat verschil in framing bestaat, is er weinig beweging.
Wie die dynamiek wil doorbreken, komt in de praktijk steeds op drie mogelijke routes uit.
Optie 1: Overheid als risicodrager
De eerste route die vaak genoemd wordt is actieve betrokkenheid van de overheid. Niet vanuit idealisme, maar vanuit risicospreiding.
Dat kan via subsidies voor Europese cloudcenters, maar ook via andere vormen van ondersteuning. Denk aan overheidsgebruik als launching customer, garanties op compliance en continuïteit, of langdurige contracten die stabiliteit bieden. Het doel is niet om de markt te sturen, maar om de drempel voor overstappen te verlagen.
Zodra een deel van het risico collectief wordt gedragen, verandert de afweging voor bedrijven. Niet omdat ze opeens principiëler worden, maar omdat de keuze minder asymmetrisch voelt.
Zonder zo’n vangnet blijft overstappen voor veel bedrijven een individuele gok.
Optie 2: Normen en standaarden die de default verschuiven
Een tweede route richt zich minder op geld en meer op gedrag. Door de standaard te veranderen.
Niet door Amerikaanse technologie te verbieden, maar door transparantie en verantwoording af te dwingen. Bijvoorbeeld door bij aanbestedingen of in regelgeving expliciet te vragen waarom niet voor een Europese oplossing is gekozen, of door eisen te stellen aan data-portabiliteit en exit-strategieën.
Zodra “niet-Europees” uitleg vergt, kantelt het psychologische speelveld. Dan wordt Europees kiezen niet langer een afwijking, maar een optie die serieus overwogen wordt.
Dit is geen snelle oplossing. Wel een structurele.
Optie 3: Collectieve beweging in plaats van individueel lef
De derde route wordt vaak onderschat. Veel bedrijven willen best bewegen, maar niet als enige. De angst om voorop te lopen is reëel.
Daarom gaat het vaak over collectieven, sectorafspraken en gezamenlijke pilots waarin bedrijven samen Europese infrastructuur testen en waarin ruimte is om te leren van wat niet werkt.
Zodra overstappen geen solo-actie is maar een gedeelde stap, verdwijnt een groot deel van de terughoudendheid. Niet omdat het risico weg is, maar omdat het gedeeld wordt.
En dan is er nog cultuur
Wat in al deze opties terugkomt, is dat geen ervan werkt zonder cultuurverandering.
Zolang Europese technologie in hoofden voelt als “spannender” of “minder volwassen”, blijven zelfs gesubsidieerde of collectieve opties lastig. Perceptie stuurt gedrag, vaak sterker dan feiten.
Die cultuur verandert niet van de ene op de andere dag. Soms verschuift vertrouwen pas echt wanneer bestaande zekerheden beginnen te wankelen. Door geopolitieke spanningen. Door reputatieschade. Of door incidenten die laten zien dat afhankelijkheid geen abstract risico is.
Subsidies zonder cultuurverandering blijven technische ingrepen.
Cultuurverandering zonder vangnet blijft theoretisch.
Het één werkt niet zonder het ander.
Waar staan wij als Spadework?
Bij Spadework ervaren we deze discussie niet als ideologisch, maar als praktisch. Zoals een van onze co-founders het verwoordde:
“Als de overheid een deel van het risico opvangt, kunnen bedrijven prima overstappen. Maar zonder cultuurverandering blijft het spannend voelen. Subsidie zonder vertrouwen werkt niet, en vertrouwen zonder steun ook niet.”
Voor ons is digitale autonomie geen eindpunt dat je afvinkt, maar een afweging die alleen verandert als de randvoorwaarden veranderen. Dat kan via beleid, via collectieve beweging, of via cultuur. Waarschijnlijk via alle drie tegelijk.
De vraag is dus niet of digitale autonomie wenselijk is.
De vraag is welke combinatie van prikkels, vertrouwen en normalisering nodig is om haar realistisch te maken.
En misschien nog belangrijker: wie durft die beweging als eerste serieus te ondersteunen?

